Het was koud, heel koud in het dorpje van Klara, suuupeerkoud. Het was zo koud dat je wel vijf truien moest aandoen als je buiten ging. Zo koud dat je wel vier mutsen moest opzetten, en wel zeker drie paar kousen. Het was zelfs zo koud, dat je snel genoeg moest stappen, anders vroor je vast aan de grond. Zo koud was het.’

Maar Klara en haar vriendjes, die vonden dat niet zo erg. Want ook al was het koud. Er was sneeuw. En in de sneeuw spelen, dat is het leukste wat er bestaat.

Op een dag gingen alle kinderen van het dorp naar de berg, om daar, zoals elke dag met de slee vanaf te rijden. Ze hadden dolle pret. Alle jongens en meisjes van het dorp. Maar aan die berg woonde ook een oude meneer. En die meneer, die was niet zo dol op kindjes. Hij vond dat kindjes, gewoon thuis op een stoel, aan tafel moesten zitten kleuren. En zeker niet zoveel lawaai maken, zo dicht bij zijn huisje.

De oude man wilde dus niet liever dan dat Klara en haar vriendjes ergens anders gingen spelen. En toen er ook nog een sneeuwbal tegen zijn raam vloog, begon hij een plannetje te maken. Een plannetje zodat de kindjes niet meer kwamen spelen. ’s Nachts, wanneer iedereen sliep, ging de oude man naar buiten. Hij haalde zijn bezem uit het tuinhuis, kroop naar boven op de berg en begon te vegen. De hele nacht veegde hij de sneeuw van de berg, om dan, als de zon opkwam, moe maar blij opnieuw in zijn zeteltje bij het raam te gaan zitten. En te kijken, gewoon te kijken hoe de kindjes niet meer konden spelen.

Klara en haar vrienden kwamen al huppelend aan, met hun slee, maar vonden een berg zonder sneeuw. Triest gingen ze terug naar huis en vertelden het hun mama en papa. Tegen de avond begon het opnieuw te sneeuwen, en Klara keek al uit naar de volgende dag. Dan kon ze opnieuw met haar slee van de berg rollen. Ze kon niet wachten en lag de hele nacht te woelen en te draaien. Als het eindelijk licht was, vertrok ze meteen naar de berg. Maar ze vond er opnieuw geen sneeuw.

Klara besloot aan de oude man, die bij de berg te wonen, te vragen of hij niets gezien had. Want de sneeuw kon toch zomaar niet verdwijnen. De oude man zei: ‘Daar heb ik niets mee te maken. Ga nu maar gauw naar huis, een beetje kleuren.’ Klara begon te wenen. ‘Maar,’ zei ze, ‘zonder sneeuw kan ik niet sleeën. Heeft u vroeger nooit gesleed?’ vroeg ze de oude man.

De man keek naar Klara en moest terugdenken aan toen hij zelf nog een kindje was. Wat had hij toen gespeeld en gesleed. En wat een kabaal had hij gemaakt, samen met zijn vriendjes. De oude man voelde zich een beetje schuldig, toen hij Klara zag wenen. En hij dacht na. Eigenlijk was het niet zo lief van hem, want vroeger had hij ook zo gespeeld. Hij zei tegen Klara: ‘Kom morgen maar eens terug, ik beloof je dat er sneeuw zal zijn.’ Toen Klara terug naar huis was, nam de oude man zijn bezem opnieuw en keerde alle sneeuw terug op zijn plaats.

Klara zat de hele nacht voor haar raampje, naar buiten te kijken. Maar er viel geen sneeuw. Sip stapte ze ’s morgens naar de berg. Ze moest schrikken. Op de berg lag een heel pak sneeuw. ‘Hoe kan dat nu?’ riep ze blij. De oude man stond te kijken, en moest even lachen. ‘Je kan toveren,’ zei Klara, en ze gaf de oude man een dikke knuffel. ‘Niet echt,’ zei de oude man, ‘maar weet je wat ik wel kan? Sleeën, als de beste.’ Ze kropen samen naar het topje van de berg en hadden een hele dag plezier, met alle kindjes van het dorp.

En de oude man? Die beleefde de tijd van zijn leven. En hij beloofde zichzelf dat hij nooit nog boos zou worden op kindjes die spelen.

Lees ook andere verhalen

Nieuwe posts of verhalen ontvangen? Laat je email-adres achter.