Dotje was blij. Dolblij! Dotje is een vrolijke meid. En vrolijke meiden, die zijn wel eens dolblij. Vanmorgen zei moeder haar. ‘Dotje, ik heb een verrassing voor je. Als je flink eet, en flink je kleertjes aandoet, gaan we op stap.’ ‘Op stap? Waarheen dan?’ vroeg Dotje. ‘Gewoon, met de trein, heen en terug, naar nergens.’

Dotje riep vrolijk. ‘Jippie! Ik heb nog nooit op een trein gezeten!’ Dat was niet meteen waar, maar dat doet er niet toe. Ze was het waarschijnlijk al vergeten. Vrolijk Dotje sprong uit haar pyjama en deed haar kleren aan. Daarna kroop ze op haar stoel en at zo snel als ze kon haar boterhammen met citroen op. ‘Klaar,’ riep ze, ‘gaan we dan nu vertrekken?’

Mama keek even na wanneer de trein zou vertrekken. ‘Binnen 10 minuutjes zijn we weg.’ Dotje trok haar schoenen aan, gooide haar jas over haar rug, haalde haar beer, en ging aan de deur zitten wachten. Ze keek er zo naar uit!

‘Op naar het avontuur,’ zei mama toen ze eindelijk weg waren. ‘Maar voor beer wordt het niets, vertel het hem straks maar.’ Een beetje sip —zo zonder beer— vertrok Dotje, aan de hand van mama.

Het perron stond vol, overvol. ‘Blijf maar dicht bij me,’ zei mama. Dotje zag allerlei mensen. Mensen met hoeden. Mensen met baarden. Mensen met broeken. En mensen met rokken. En één kindje. Mét een beer.

Dotje hoorde plots gekraak. Een gekke stem zei iets, maar ze verstond er niets van. ‘De trein komt er aan,’ zei mama. Dotje begon te springen van plezier. En toen de trein ook écht het station binnenreed, sprong ze nog hoger!

Maar o wee. Alle mensen op het perron moesten op de trein. En daar waren al zoveel mensen op. Dotje bleef heel dicht bij mama. Ze konden er nog net bij, maar moesten staan, ergens op een tussenstuk. Dotje grabbelde mama’s benen vast en liet ze niet meer los. Het was druk, maar dat vond Lotje eigenlijk niet zo erg. Misschien was het wel altijd zo. Ze keek rond, naar alle mensen die opeengepakt stonden. Ze zag eigenlijk niet veel. Een bloemenrok, een zwarte rugzak, een jeansbroek en de benen van mama. Dat was alles.

De mevrouw met de bloemenrok praatte heel luid. Dotje verstond er geen woord van. Het enige wat ze hoorde was hehihahohoeha. Of toch heel veel de letter h. ‘Wat een grappige mevrouw,’ dacht Dotje, ‘en wat praat ze gek, en luid, en veel.’ Mama zuchtte. Mama is niet zo’n fan van lawaai. Dat wist Dotje al. Want zelf maakt ze ook wel eens wat veel lawaai. Dat vind mama toch.

De trein stopte, nogal hard. Dotje vloog met haar gezicht, los tegen de poep van de mevrouw met de bloemenrok. En net dan, toen ze daar zo dichtbij was, hoorde ze plots. Prrrt. Eikes! De mevrouw liet een protje. Los in haar gezicht. Mama trok Dotje terug bij zich. ‘Mama,’ zei Dotje, maar mama zei niets terug. ‘Mamaaa!’ ‘Wat is er, meid?’ ‘Die mevrouw heeft een protje gelaten.’ fluisterde Dotje. ‘Foei,’ zei mama, ‘zoiets mag je niet zeggen.’ Dotje vond het jammer. Mama geloofde haar niet. Maar zo is dat bij mama’s en papa’s. Daar mag je niet alles van zeggen. Ook al is het helemaal waar. Dotje zei niets meer tegen mama. Tot ze ging slapen.

En dan zei ze. ‘De trein is leuk, maar volgende keer draai ik me wel naar jou, mama. Dan kan de mevrouw geen protje meer naar mij laten.’

Mama lachte. ‘Slaapwel, kleine prot’

Lees ook andere verhalen

Nieuwe posts of verhalen ontvangen? Laat je email-adres achter.